Een energielabel is allang niet meer het papiertje dat je voor een paar euro via internet kon regelen. Tegenwoordig wordt een woning of gebouw ter plaatse opgenomen, moeten gegevens worden onderbouwd en kan het complete dossier worden gecontroleerd.
Met de invoering van de eerste wijzigingen vanuit de EPBD IV krijgt het energielabel bovendien een steeds belangrijkere rol. Niet alleen het energiegebruik telt mee. Ook CO₂-uitstoot, hernieuwbare energie en de route naar emissieloze gebouwen krijgen meer aandacht.
Maar wat verandert er precies? En wat betekent dit voor eigenaren van woningen en bedrijfspanden?
In mijn podcast ga ik hierover in gesprek met Marinus de Vries van Energieadvies Flevoland. Marinus werkt al bijna elf jaar met energielabels, energieadvies en audits. Samen bespreken we de ontwikkeling van het energielabel, de nieuwe regelgeving en de uitdagingen die nog voor ons liggen.
Van eenvoudig digitaal label naar uitgebreide gebouwopname
Voor 2021 konden woningeigenaren relatief eenvoudig een digitaal energielabel aanvragen. Op basis van een beperkt aantal gegevens en aangeleverde bewijsstukken werd een label vastgesteld. Goedkoop en snel, maar de kwaliteit en betrouwbaarheid lieten regelmatig te wensen over.
Sinds 2021 werkt Nederland met de NTA 8800. Deze methodiek geldt voor woningen én utiliteitsgebouwen. Een energieadviseur neemt het gebouw op locatie op, meet relevante onderdelen in en legt de bewijslast vast met onder andere foto’s en documentatie.
Dat dossier moet vervolgens vijftien jaar worden bewaard en kan tijdens een audit worden gecontroleerd. Een energielabel is dus zeker geen ‘wassen neus’ meer. Achter de letter op het label zit een uitgebreide, gecertificeerde berekening.
Waarom vierkante meters niet altijd overeenkomen
Bij bedrijfspanden ontstaat regelmatig verwarring over het aantal vierkante meters dat op het energielabel staat. Dit oppervlak kan afwijken van het BAG-register of een NEN-meting.
Dat komt doordat bij het energielabel alleen de ruimten worden meegenomen die binnen de thermische zone en de betreffende gebruiksfunctie vallen. Een productiehal of industriefunctie valt bijvoorbeeld buiten de berekening, terwijl het bijbehorende kantoor wel kan meetellen.
Een bedrijfspand van 6.000 m² kan daardoor een energielabel hebben waarop slechts 1.000 m² kantooroppervlak vermeld staat. Ook technische ruimten, opslagruimten en onverwarmde delen kunnen buiten de berekening vallen.
Het verschil hoeft dus niet te betekenen dat het energielabel onjuist is. Wel is het belangrijk dat de adviseur de gebruiksfuncties en gebouwgrenzen correct bepaalt.
Welke gebouwen zijn labelplichtig?
Voor woningen is de labelplicht inmiddels bij de meeste mensen bekend. Bij utiliteitsgebouwen ligt het soms ingewikkelder.
Kantoren, winkels, showrooms en andere utiliteitsgebouwen moeten in veel gevallen over een geldig energielabel beschikken. Voor kantoren geldt daarnaast al enige tijd de verplichting om minimaal energielabel C te hebben.
Bij een kantoor dat onderdeel is van een groter productie- of bedrijfsgebouw, wordt gekeken naar de verhouding tussen de verschillende functies. Is het kantoor slechts een klein onderdeel van het totale pand, dan kan een uitzondering gelden. Bij een groter aandeel kantooroppervlak kan het gebouw alsnog labelplichtig zijn.
Juist bij gemengde bedrijfspanden is het daarom verstandig om dit vooraf goed te laten beoordelen. Aannemen dat een label niet nodig is, kan later bij verhuur, verkoop of controle voor vervelende verrassingen zorgen.
Ook monumenten krijgen met het energielabel te maken
Een belangrijke wijziging is dat monumentale gebouwen niet langer automatisch zijn uitgezonderd van de labelplicht.
Dat maakt de situatie interessant én ingewikkeld. Bij monumenten mogen gevels, kozijnen en beglazing vaak niet zomaar worden aangepast. Een monument kan daardoor wel een energielabel krijgen, terwijl de mogelijkheden om het label te verbeteren beperkt zijn.
Voor gebouwen of gebouwdelen die worden gebruikt voor religieuze diensten blijven uitzonderingen bestaan. Wordt een voormalig klooster of kerk echter gebruikt als congrescentrum, kantoor of logiesgebouw, dan kan dat gedeelte wel labelplichtig zijn.
Een labelplicht betekent overigens niet automatisch dat ieder monument direct naar label C moet. De gebruiksfunctie en geldende uitzonderingen blijven bepalend.
Het energielabel wordt steeds meer een nulmeting
De nieuwe Europese regelgeving stuurt nadrukkelijker op emissieloze gebouwen. Daarbij wordt niet alleen naar energiegebruik gekeken, maar ook naar CO₂, stikstof en fijnstof.
Voor een energieadviseur blijft de basis hetzelfde: het gebouw wordt opgenomen zoals het er op dat moment bij staat. Het energielabel is daarmee vooral een nulmeting. Het laat zien hoe het gebouw energetisch presteert en waar verbeteringen mogelijk zijn.
Dat betekent niet dat een adviseur ieder gebouw tijdens de opname direct emissieloos moet maken. Het label geeft inzicht. Vervolgens is het aan de eigenaar, eventueel samen met een verduurzamingsadviseur, om de juiste maatregelen en volgorde te bepalen.
Isoleren blijft de eerste logische stap
Wie het energielabel wil verbeteren, denkt misschien meteen aan een warmtepomp, zonnepanelen of batterijopslag. Toch begint een goede verduurzaming meestal nog steeds bij het beperken van de energievraag.
Dak-, gevel- en vloerisolatie en beter glas kunnen het energiegebruik verlagen en tegelijkertijd het comfort verbeteren. Daarbij is het belangrijk om realistisch te blijven. Alleen het vervangen van dubbel glas door HR++- of triple glas levert niet automatisch twee labelsprongen op.
Het effect hangt af van het hele gebouw: de isolatie, installaties, ventilatie, verwarming, koeling en eigen energieopwekking werken samen.
Een goed energielabel vraagt daarom om meer dan één losse maatregel. Het vraagt om een totaalbeeld en een plan dat past bij het gebouw en het gebruik ervan.
Zonnepanelen en batterijopslag worden belangrijker
Door de grotere aandacht voor hernieuwbare energie blijven zonnepanelen relevant. Ook batterijopslag krijgt een duidelijkere plek binnen het energielabel. Een batterij met voldoende opslagcapaciteit kan een positief effect hebben en wordt zichtbaar op het label.
Dat is een interessante ontwikkeling. Tot nu toe wordt een batterij vooral beoordeeld op het directe financiële voordeel voor de eigenaar. Wanneer opslag ook invloed heeft op de energieprestatie van het gebouw, kan de investering eveneens interessant worden voor de vastgoedwaarde.
Toch blijft het belangrijk om eerst naar het totale energiesysteem te kijken. Een batterij plaatsen zonder inzicht in verbruik, opwekking en piekbelasting is zelden de beste eerste stap.
De verantwoordelijkheid van de energieadviseur wordt groter
Een energieadviseur kan in de software voor bepaalde gebouwonderdelen een standaardwaarde of ‘onbekend’ invoeren. Dat betekent echter niet dat alles zonder verder onderzoek als onbekend mag worden aangemerkt.
Wanneer isolatie, beglazing of een installatie redelijkerwijs gecontroleerd kan worden, moet de adviseur dat ook doen. Soms betekent dit een vloerluik openen, in de spouw kijken of aanvullende documentatie opvragen.
Tegelijkertijd worden de eisen voor adviseurs strenger. De toegestane afwijkingen worden kleiner en bij kritieke fouten kunnen zogenoemde gele vlaggen worden geregistreerd. Bij herhaling kan dit zelfs gevolgen hebben voor de bevoegdheid van de adviseur.
Kwaliteit is belangrijk, maar de regels moeten wel uitvoerbaar blijven. Zeker in een markt waarin gekwalificeerde energieadviseurs hard nodig zijn.
Het label alleen vertelt niet het hele verhaal
Een energielabel wordt berekend op basis van een gestandaardiseerd gebruik. Het daadwerkelijke energieverbruik van de huidige bewoner of gebruiker wordt niet één op één meegenomen.
Dat is logisch. De ene bewoner verwarmt iedere ruimte, terwijl een ander een deel van het jaar in het buitenland verblijft. Het gebouw blijft hetzelfde, maar het energiegebruik verschilt enorm.
Wie wil weten welke verduurzamingsmaatregelen passen bij het werkelijke gebruik, heeft daarom meer nodig dan alleen een energielabel. Een maatwerkadvies kijkt ook naar het actuele verbruik, de wensen van de gebruiker en de haalbaarheid van maatregelen. In de toekomst krijgt ook het renovatiepaspoort hierin waarschijnlijk een grotere rol.
De grootste veranderingen moeten nog komen
De eerste wijzigingen vanuit de EPBD IV zijn relatief beperkt. Toch is dit pas het begin. De komende jaren volgen nieuwe stappen, waaronder minimumeisen voor utiliteitsgebouwen en de verdere ontwikkeling richting emissieloze nieuwbouw.
Ook de vertrouwde plusjes achter energielabel A gaan op termijn verdwijnen. Daarvoor komt een nieuwe indeling terug, waarbij A0 staat voor een emissieloos gebouw.
De richting is duidelijk. De manier waarop we er moeten komen, is dat nog niet op alle onderdelen.
Juist daarom is het belangrijk om nu al verder te kijken dan de letter op het energielabel. Wat zegt het label werkelijk over jouw gebouw? Welke maatregelen zijn technisch verstandig? En in welke volgorde kun je deze het beste uitvoeren?
Eerst inzicht, daarna gericht verduurzamen
Een energielabel is een goed vertrekpunt, maar geen compleet verduurzamingsplan. Wie alleen probeert een betere letter te behalen, kan investeren in maatregelen die op papier goed scoren, maar in de praktijk niet optimaal aansluiten op het gebouw.
Door het energielabel te combineren met kennis van bouwkundige onderdelen, installaties en werkelijk gebruik ontstaat een veel bruikbaarder plan.
In de podcast bespreek ik samen met Marinus de Vries hoe energielabels worden vastgesteld, welke gebouwen labelplichtig zijn en wat de nieuwe regelgeving betekent voor woningen, monumenten en bedrijfspanden.
Wil je weten wat jouw energielabel daadwerkelijk zegt en welke vervolgstappen verstandig zijn? Beluister of bekijk dan de volledige podcast. Heb je daarna vragen over het verduurzamen van jouw vastgoed? Neem gerust contact met mij op. Dan kijken we verder dan alleen de letter op het label.
